Vaste instellingen

Het is verstandig om enkele waarden op de camera vast in te stellen. Dat voorkomt vergissingen en onnodig gezoek in de menu’s tijdens het fotograferen.

Opnamekwaliteit: RAW, JPEG

In digitale camera’s worden twee formaten toegepast waarin je de foto kunt opslaan: RAW en JPEG (soms JPG genoemd). Dit “formaat” heeft dus niets te maken met de afmetingen van het beeld!

Bij spiegelreflexen en de betere compacts kun je zowel in RAW-formaat als in JPEG-formaat fotograferen. RAW geeft het beste resultaat, maar vraagt meer opslagruimte op de geheugenkaart en moet op de PC worden nabewerkt.

In JPEG heb je verschillende kwaliteitsniveaus en ons advies is om altijd de hoogste kwaliteit te kiezen.

Witbalans (WB)

Zet de witbalans in het menu op automatisch (AWB). Dit geeft in vrijwel alle gevallen goede resultaten. Ga alleen over op zelf instellen in extreme kleur- en lichtomstandigheden.

Scherpstelling (AF/M)

Zet de scherpstelling standaard op Autofocus (AF). In slechte lichtomstandigheden werkt die soms niet goed. Dan overschakelen op Manual focus (M). De knop voor AF en M zit bij spiegelreflexen op de zijkant van de lens.

Beeldstabilisatie (VR, VC, IS)

Veel moderne camera’s zijn uitgerust met beeldstabilisatie: aangeduid met VR (vibration reduction) of VC (vibration correction) of IS (image stabilizer). Deze systemen corrigeren in enige mate de trillingen van de hand. Daardoor kun je werken met iets langere sluitertijden.

Dus zet die optie altijd aan. Bij de meeste merken zit dit systeem in de lens en wordt aangezet met een knopje op de lens, maar bij sommige zit het in de camera.

Let op: Zet je de camera op een statief  schakel dan de beeldstabilisatie uit! Anders werkt dat tegen. Beeldstabilisatie vraagt wel iets meer van je accu of batterijen.

Belichtingsinstellingen

Er zijn drie instellingen over waarmee een goede belichting kan worden verkregen:

ISO-waarde, diafragma en sluitertijd. Deze instellingen hangen af van de lichtomstandigheden, de beweging van het onderwerp en de gewenste scherptediepte.

Bovenop de camera zit een knop waarmee je de diverse belichtingsmogelijkheden kunt instellen. Die zijn aangegeven met een letter of een symbool.

Je kunt de “P” of “AUT” gebruiken, de vol-automaat onder alle omstandigheden. 

Bij deze instellingen krijg je acceptabele foto’s, maar je weet niet hoe die tot stand komen.

Wil je volledige controle, stel dan zelf de ISO-waarde in en gebruik de semi-automatische stand A of S.

ISO-waarde

Stel de ISO-waarde in, afhankelijk van de lichtomstandigheden. Kies 100 of 200 bij voldoende licht en 400 of hoger bij erg donker weer. Kies vervolgens stand A of S.

A (soms Av ) = Diafragma voorkeuze en niet Automaat! Het is de afkorting van het Engelse Aperture (opening). De “v” staat voor variation.

Als je deze stand kiest moet je het diafragma zelf instellen. Op het scherm en in de zoeker zie je dan de ingestelde waarde, bijvoorbeeld F8, F5.6, F11 enz. Tegelijkertijd zie de sluitertijd en die verandert automatisch zodra je het diafragma wijzigt.

In deze stand heb je controle over de scherptediepte. En kleine F-waarde geeft een kleine scherptediepte en een hogere waarde een grotere scherptediepte.

S (soms Tv) = Sluitertijd voorkeuze. Het is de afkorting van het Engelse Shutter (sluiter). T staat voor Time. De “v” staat voor variation.

Als je deze stand kiest moet je de sluitertijd zelf instellen .Op het scherm en in de zoeker zie je dan de ingestelde waarde, bijvoorbeeld 1/125, 1/500, 1/60, enz. Tegelijkertijd zie de diafragmawaarde en die verandert automatisch zodra je de sluitertijd wijzigt.

In deze stand heb je de controle over beweging van het onderwerp. Met een langere sluitertijd is de kans op bewegingsonscherpte groter. Hier kun je mooi gebruik van maken om beweging vast te leggen.

M = Manual. Hier moet je diafragma én sluitertijd zelf instellen. Zul je weinig gebruiken, maar in sommige omstandigheden noodzakelijk. De juiste belichting krijg je hier door aanpassen van de ISO-waarde.

 

geschiedenisuitlegcamera

De eerste camera is de camera obscura. Dat was in ca. 1820. De camera obscura was een doos met een heel klein gaatje erin en op de achterwand een lichtgevoelige plaat. Dit principe is tot op heden nooit veranderd. Het gaatje van de doos is nu een lens en de lichtgevoelige achterwand werd later de film en tegenwoordig is het de sensorchip.

Toch is er sinds het begin wel veel veranderd op het gebied van de fotografie. De lichtgevoelige plaat was in het begin nog niet erg lichtgevoelig. Er was wel een belichtingstijd nodig van vele uren, nu is dat slechts een fractie van een seconde.

De eerste foto’s waren uniek, er konden geen meerdere exemplaar van afgedrukt worden. De foto’s werden direct op papier gebrand in plaats van op een negatief. De eerste negatieven werden rond 1850 ontwikkeld. Dit waren in het begin glasplaten met daarop zilverbromide. De eerste 35-mm-negatieven werden rond 1930 ontwikkeld. Deze worden nog steeds in analoge camera’s gebruikt. De foto's waren in zwart-wit. De eerste kleurenfoto werd al in 1860 gemaakt maar het was pas ca. 1960 dat dit voor consumenten op de markt kwam.

Het gaatje in de camera is nu een complex objectief met meerdere lenzen en een diafragma (het gaatje). De eerste digitale camera's kwamen in 1981 op de markt.